Over Hippocrates en een boterhamzakje

Ik zit in de trein van Nijmegen naar Eindhoven.
Diep verzonken in mijn literaire hoogstandje (Scandinavische thriller met steevast een briljante vrouwelijke rechercheur in de hoofdrol met een norse doch trouwe mannelijke partner) begint een omroepbericht te wedijveren om mijn aandacht.

Verstrooid kijk ik op van mijn boek, en probeer me te bedenken waar ik door getriggerd ben. Alle mensen om mij heen zitten rustig en niemand moppert, dus het was geen aankondiging van een vertraging. Ik wacht op de tweede ronde van de omroeper.

“Is er een dokter in de trein?”
“Wil deze zich met spoed melden in de voorste coupé” kraakt het uit de speakers.

Iedere arts kent deze situatie wel, heeft er al eens mee te maken gehad, of heeft er over gedroomd dat het gebeurde.
Ik kijk om me heen en wacht even, op hordes artsen die die zich plichtsgetrouw gaan melden in de voorste coupe.

Niemand.

Hippocrates tikt op mijn schouder en spreekt me licht vermanend toe.
Ok dan, daar gaan we.
Zo gauw ik opsta trek ik de aandacht van mijn medereizigers.
Je ziet ze denken: “Dat is de arts!” Of misschien denken ze wel: “Is DAT de arts?” Of denken ze gewoon dat ik naar de WC moet? 
Geen idee.

“Hippocrates tikt op mijn schouder
en spreekt me licht vermanend toe”

Ik twijfel nog even wat te doen met mijn spullen. Medisch gezien heb ik er niks aan. De eerste keer dat ik tijdens een reanimatie een politie thriller nodig blijk te hebben moet nog komen.  Maar wie weet hoe lang het gaat duren, dus neem ik toch maar alles mee.

Terwijl ik richting de eerste coupé loop pik ik nog geen verontrustende signalen op van roepende of huilende mensen. Misschien valt het mee.
Op de plek van bestemming aangekomen kijkt de hele coupé me verwachtingsvol aan.

Hallo.

Er wordt  gewezen naar een jongen die bleekjes en duidelijk niet lekker tegen het raam leunt.
Een snelle screening vertelt me dat  
a) De jongen rechtop zit, reageert en ademt (gunstig)
b) Ik de enige arts lijk te zijn (minder gunstig) 
c) Het een tiener is (zeker niet gunstig).

Mijn coschap kindergeneeskunde heb ik in Zuid Afrika gedaan, en de problemen die kinderen daar hebben zijn van een andere orde dan hier. De kans op ondervoeding dan wel zich ter plekke openbarende HIV lijkt me hier zeer onwaarschijnlijk.

Ik ga naast de jongen zitten en stel hem zachtjes wat basale vragen. “Heb je pijn? Ben je benauwd? Gebruik je medicijnen? Heb je suikerziekte?” Ik voel na goedkeuring aan zijn pols en zijn voorhoofd.
De coupe houdt zijn adem in terwijl ik op het punt kom dat ik niks meer om handen heb om te testen of te doen.
Geen bloeddrukmeter, geen ECG, geen bloedonderzoek.
Ik kan niet even weglopen om te zeggen dat ik naar de uitslagen ga kijken.
Dit is het Doc, hiermee moet je het doen.
Hemeltje wat voel ik me onthand en volstrekt nutteloos.

In gedachten kan ik gelukkig de meest levensbedreigende problemen wegstrepen, en laat ik hyperventilatie staan als mogelijke oorzaak. Hij ademt niet opvallend snel, maar dat hoeft niet perse.
Goed, en nu?
Normaal vertel ik deze diagnose aan de verpleegkundige, en die lost het vervolgens op met…
Tsja, wat doet die dan eigenlijk?

Ik vraag aan de mensen om me heen of er iemand een zakje heeft. Uit een handtas komt een grote wit-blauwe AH tas.
Bedankt, maar dat gaat het niet worden.
Iemand anders komt met een boterhamzakje aanzetten.
Beter idee.
Ik schud de kruimels eruit en geef het aan de jongen.

“Dit is het Doc,
hiermee moet je het doen”

Op dat moment begint de trein af te remmen en rijden we station ’s Hertogenbosch binnen, mijn overstap.
In tweestrijd kijk ik om me heen.  Moet ik de jongen er hier uit laten gaan en een ambulance bellen? Moet ik met hem mee naar Tilburg rijden waar hij naar onderweg is?
Een man tegenover me brengt redding en zegt: “Ik moet naar Tilburg en kan het wel overnemen. Ik ben kinderarts.”
Pardon?! Had je dat niet meteen kunnen zeggen?!

Ik draai me naar de jongen en vraag hem hoe hij zich voelt. Het gaat al beter.
“Vind je het goed als ik de trein uit ga?” Hij knikt ja.
Terwijl ik naar buiten loop zegt de kinderarts tegen me: “Ik denk dat je het bij het juiste eind hebt met je diagnose.”
Juist, bedankt maat.

De trein rolt weg als ik me bedenk dat ik de NS een mailtje moet sturen.
Misschien kunnen ze beter omroepen of er een arts en een verpleegkundige in de zaal zijn.

2 Replies to “Over Hippocrates en een boterhamzakje”

  1. Lieve Tamara, goed gedaan! En die kinderarts had zich wel wat eerder kunnen melden 😅 of hij had het volste vertrouwen in jouw diagnose 👌🏻
    Leuk om te lezen 😘

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *